Alles draait uiteindelijk om genegenheid

Boer-dichter-schrijver Wendell Berry, het ecologisch geweten van Amerika, pleitte al voor duurzame landbouw voordat het woord bestond. Volgens hem draait een gezonde, duurzame economie uiteindelijk om zorg, aandacht, genegenheid, kortom: liefde. Hard werkende liefde. Om hem te interviewen moet je hem een brief schrijven, want aan computers doet hij niet.

Dit verhaal is eerder verschenen in de Groene Amsterdammer

Het was halverwege de jaren zestig toen Wendell Berry, veelbelovend schrijver en docent aan New York University, op het matje werd geroepen. Of het klopte dat hij plannen maakte om te verhuizen voor een nieuwe baan? Wilde hij deze prestigieuze universiteit, dit inspirerende milieu van intellectuelen en kunstenaars, in de beste stad van de wereld, inruilen voor – Kentucky, de provincie, het niets? ‘Bijna iedereen die ik kende dacht dat dit het einde van me betekende’, zegt hij in een interview. ‘De beweging die ik maakte van de metropool naar Kentucky vonden ze onvermijdelijk achteruit en downward.’ Daar woonde het domme, racistische gepeupel.

Berry zag hierin de aloude botsing tussen twee levensoriëntaties, twee soorten mensen: de boomers, succesvolle individuen die van de wereld in het algemeen houden, en de stickers, de mensen die van een bepaalde plek in de wereld houden. Hij ging terug naar Kentucky, niet omdat hij er alles zo geweldig vond, maar omdat hij een paar vierkante kilometer heel goed kende en hij daar, tja, om gaf.

Tot dan toe had hij geleefd volgens de lijnen van ambitie. Nu begon hij te leven volgens de lijnen van ‘bestemming’, een lastig te omschrijven begrip dat te maken heeft met wortels. Hij kocht met zijn vrouw Tanya een stukje land, vlak bij zijn ouderlijk huis, waar hij van zijn vader en opa ooit het harde boerenwerk op de tabaksvelden had geleerd. Berry begon er voedsel te verbouwen, tegen de klippen op, letterlijk, want het land was gehavend en geërodeerd door verkeerde landbouwmethodes van zijn voorouders en de humuslaag was op veel plekken verdwenen. Hij zette alles op alles, kocht paarden in plaats van tractors, en probeerde heel voorzichtig te gaan werken aan herstel.

Hij experimenteerde met duurzame landbouw, toen niemand nog het woord kende, en deelde zijn ervaringen. Zo gebeurde het dat Berry, die ondertussen romans, gedichten en essays bleef schrijven, over het land en zijn bewoners, en paradoxaal genoeg een succesvolle auteur werd, zich tegelijk ontpopte als vroege stem van de milieubeweging en een scherp criticus van industriële landbouw, mijnbouw, ontbossing en economische groei, zaken die zijn geliefde Kentucky in rap tempo veranderden.

Voor de helderheid: Wendell Berry leeft nog. Hij is intussen 87 jaar oud en wordt door velen gezien als het geweten van het Amerikaanse platteland. ‘Er is weinig in mijn ideeën dat Berry niet al decennia geleden heeft opgeschreven’, zei Michael Pollan, de bekende voedseljournalist. Berry is onderscheiden met de National Humanities Medal, de Freedom Medal van het Roosevelt Institute, en nog veel meer. In 2012 mocht hij de prestigieuze Jefferson Lecture geven, de hoogste erkenning van de Amerikaanse overheid aan belangrijke denkers, en deze lezing is als boekje te koop onder de titel It All Turns on Affection.

Bij die gelegenheid werd hij door Mark Bittman, een columnist voor The New York Times, beschreven als held, buitenbeentje, denker, icoon, radicaal, criticus, en bovendien een van de beste schrijvers die Amerika kent. ‘Ik ken niemand die zo literair en tegelijk down to earth is, zo hoogopgeleid en pretentieloos, zo veeleisend en nederig, zo plattelands en ontwikkeld.’ Maar hoe komt het dat hij toch nooit echt een bekende Amerikaan is geworden? Waarschijnlijk is Kentucky te afgelegen, aldus Bittman, en zijn Berry’s zinnen te literair en te doordacht. Daar kunnen de talkshows weinig mee.

Het is een beetje flauw om te beginnen bij wat de mensen in Washington en New York van hem vinden. De beste manier om Berry te leren kennen is jezelf opsluiten in een tuinhuis met een knapperende houtkachel en een stapel boeken van deze denker-dichter-doener (waaronder The World-Ending Fire, een bundel met de mooiste essays die hij in vijftig jaar tijd heeft geschreven), en jezelf onderdompelen in zijn wereld van planten, paarden, boeren, houtvesters, bossen en het kolkende water van de rivier Kentucky, de basis voor zijn denken over wat duurzaam en gezond is. Volgens Berry moeten we weer terug naar de grond, terug naar de natuur, terug naar het lokale, omdat dáár de zorg en de aandacht en het zweten gebeurt, dat ons allemaal bij elkaar houdt.

Je zou hier de romanticus Berry in kunnen ontwaren: klein en fijn en dorps, leven van je eigen akker. Thoreau met een schrijfblok in de natuur. Nu mag je van Berry niks lelijks zeggen over Thoreau, maar escapisme is hem vreemd. Het leven op het platteland doet pijn. Toen hij studeerde en doceerde in New York, Californië en Italië, schrijft hij in zijn essay The Native Hill, ‘kostte het niets om een criticus te zijn, want ik was er nog maar kort en ik had niet het gevoel dat ik zou blijven. Maar hier, nu ik hier niet alleen bewoner ben maar ook autochtoon, ben ik niet meer immuun voor wat er mis is.’ Het is onmogelijk in Kentucky om niet deel te zijn van het verleden, met al zijn geweld tegen de inheemse volken en de tot slaaf gemaakten, tegen de grond en de heuvels, door projectontwikkelaars die de hellingen bulldozerden om ze vervolgens aan hun lot over te laten. ‘Ik zie de oude wonden van de erosie’, schrijft hij, ‘de plaatsen waar de aarde is verdwenen tot aan het gesteente. De fouten van mijn volk zijn de eigenschappen van het land geworden.’

Wendell Berry en zijn hond Nell, Henry County, Kentucky © Guy Mendes

Zijn literaire werk wordt bevolkt door talloze doodgewone mensen die hun best doen om met elkaar iets van hun leven en hun land te maken. Zijn verhalen en romans, zoals A Place on Earth, vormen samen een karakterstudie van telkens dezelfde plattelandsgemeenschap, Port William, dat verdacht veel lijkt op Port Royal waar hij zelf woont, een gehucht dat er in de grote wereld niet toe doet. In Jayber Crow, een roman die draait om de kapper van de gemeenschap, mijmert hij: ‘Port William is als een man op een bevroren helling, hard zwoegend om op zijn plek te blijven en toch langzaam naar beneden glijdend. Het moet het niet alleen opnemen tegen de lokale sterfelijkheid, armoede, onwetendheid, natuurlijke gebreken en het weer, maar ook tegen wat we Het Nieuws kunnen noemen.’

In tijden van oorlog weet men meteen de jongemannen te vinden die hun leven mogen gaan geven. Voor de natie. Wat de machtige mannen beslissen, is zelden goed voor Port William. En toch is het leven er dierbaar. Boeren, kappers, juffen en dominees, verliefdheid en dronkenschap, omgang met het land, armoede, ouderdom en verlies – de gemeenschap wordt van binnenuit beschreven, elk boek vanuit een ander paar ogen, met een diepe compassie en genegenheid. De Library of America is bezig om ze gebundeld uit te geven in de serie Port William Novels & Stories (de schrijvers die op deze manier worden geëerd moeten daar meestal eerst voor overlijden).

Berry’s proza, en ook zijn poëzie, is vaak naturalistisch, beschouwend, soms zelfs letterlijk opgeschreven tijdens wandelingen door de bossen en de heuvels. Maar de politieke buitenwereld is nooit ver weg, en als de grote machten met de kleine mensen in botsing komen, wordt Berry’s stijl polemisch en scherp.

Berry is niet bereikbaar per mail of telefoon. Hij heeft de belofte gehouden die hij in 1987 al deed in een essay in Harper’s Magazine getiteld ‘Waarom ik geen computer ga kopen’. Hij wil zo min mogelijk afhankelijk zijn van de stroom uit steenkool die door de open mijnbouw de Appalachen verwoest. Bovendien vindt hij het hele ideaal van arbeidsbesparende technologie dubieus. Een computer zou helpen om sneller, makkelijker en meer te schrijven. Maar wil hij dat wel? ‘Nee. Ik heb al zo vaak bewezen ik alleen al met een pen te snel, te makkelijk en te veel heb geschreven. Ik zou wel een betere schrijver willen worden. Maar daarvoor heb ik hulp van andere mensen nodig, niet van een machine.’

Voor Berry is schrijven iets dat je met je hele lichaam doet. Hij wil zo volledig mogelijk aanwezig zijn op een plaats, zonder afleiding van moderne technologie, zonder verlichting liefst, zodat hij zich kan laten raken door de schemering, of otters die spelen in de Kentucky, de riviedie hij ziet uit zijn raam. Bovendien doet hij zijn werk samen met andere mensen. Hij is afhankelijk van zijn vrouw of van een vriend, voor correctie, feedback en uitwerking. Arbeid is niet iets negatiefs, zegt hij, dat je moet wegorganiseren. Het is juist waardevol als je huishouden niet alleen een consumptieve, maar ook een productieve gemeenschap is, een huishouden dat waarde creëert. Waarom zou je dat willen uitbesteden aan een apparaat?

‘Er is geen scheiding tussen het lot van het land en het lot van de mensen. Als de een wordt misbruikt, lijdt de ander’

Natuurlijk is hij ook afhankelijk van apparaten, zoals de auto, en daar is hij niet trots op. Maar voor computers had hij in 1987 al geen enkel ontzag. ‘Ik zie niet hoe ze ons één stap dichter gaan brengen bij alles wat er voor mij toe doet: vrede, economische gerechtigheid, ecologische gezondheid, politieke eerlijkheid, stabiliteit voor familie en gemeenschap, en goede arbeid.’

Kortom, wie Wendell Berry wilspreken, moet een brief sturen. En zo komt het dat er twee weken later een epistel op de mat ligt, waarin Berry uitgebreid en vriendelijk uitlegt wat hem drijft. Dat is niet één bepaalde missie. ‘Ik denk niet dat er ooit iets zo belangrijk is dat het betekenis heeft zonder andere belangrijke dingen’, schrijft hij. In deze tijd van fragmentatie moeten we juist leren om alles weer in samenhang te zien. ‘Als ik één ding tegen de Nederlandse lezer zou moeten zeggen, is het dat we onze naasten moeten liefhebben. En daarmee bedoel ik alle naasten in wat de “landgemeenschap” wordt genoemd.’ Dus ook de dieren, de planten, het water, de grond. ‘Als dat ons niet lukt, dan zullen we daar de prijs voor betalen.’

Voor Berry betekent een gemeenschap van naastenliefde ook een respectvolle omgang met de natuur. En andersom: respect voor de natuur betekent ook zorg voor de plattelandsgemeenschap, voor je familie, voor je huwelijk. Niet alleen als plek van bewondering of romantiek, maar als gemeenschap van arbeid. Deze vorm van gemeenschapsdenken past niet goed bij de hokjes van liberaal of conservatief Amerika, schrijft hij: ‘Mijn zorgen over de desintegratie van sociale gemeenschappen en de ecologische verwoesting door onze economie worden niet gedeeld door onze twee politieke partijen. De zogenaamde conservatieven hebben ons platteland en ons volk onderworpen aan een uitputtende economie die verarmt en ruïneert. De zogenaamde liberalen hebben, tot op heden, ingestemd met die economie en gedaan of het normaal is.’

Uit Berry’s boeken blijkt een geworteldheid in het christelijk geloof. Niet dat hij nou zo’n stereotiepe christen is, schrijft hij, maar hij leest de bijbel wel degelijk ernstig. ‘Ik heb altijd serieus geprobeerd om mijn gedachten en mijn werk te toetsen aan het evangelie. De opdracht van Jezus om onze naasten en onze vijanden lief te hebben neem ik letterlijk en uiterst serieus.’ Om die reden maakt Berry ook geen geheim van zijn pacifisme en afkeer van geweld en nationalisme. In 2003 bekritiseerde hij het nationalistische beleid van Bush in een paginagrote advertentie in The New York Times. Zijn burgerschap is vooral diep in kleine kring, aldus Berry. Hoe wijder de kring, hoe ‘dunner’ zijn loyaliteit.

‘Ik geef meer om mijn huishouden dan om mijn stad, meer om mijn stad dan om de provincie, meer om de provincie dan om de staat Kentucky, meer om de staat Kentucky dan om de Verenigde Staten van Amerika’, zei hij in een speech ten tijde van Vietnam. ‘Maar ik geef niet meer om de Verenigde Staten van Amerika dan om de wereld.’ De wereld en ons huishouden, dat zijn de twee polen waar onze moraliteit op gebaseerd en gebalanceerd moet zijn. ‘Mijn huis is niet afhankelijk van de Amerikaanse regering, maar van de aarde. Hoe geavanceerd en complex en machtig onze instituties ook zijn, we blijven net zo afhankelijk van de aarde als regenwormen.’

Dat is iets wat de regering niet erkent. Sterker nog, de regering zal de laatste zijn om dat te erkennen, aldus Berry. ‘Als je de claims van sommige politieke leiders hoort zou je denken dat we allemaal in de regering lééfden. Maar ook al ben ik me er altijd van bewust dat ik leef in mijn huishouden en in de wereld, ik wil wel verklaren dat ik me in mijn beste momenten niet bewust ben van het bestaan van de regering.’ Berry kan zich geen dag herinneren dat de gedachte aan de regering hem blij maakte. ‘En ik denk nooit aan de regering zonder de wens dat zij wijzer en waarachtiger en kleiner mag worden dan ze nu is.’

Een stroming waar Berry zich wel bij thuisvoelt is het zogenaamde ‘agrarianisme’, dat opkomt voor kleinschalige landbouw en daarmee ‘de gezondheid van het land en de mensen vooropstelt’, zoals hij het formuleert. Op basis van zijn gedachtegoed is er tegenwoordig een Berry Centre, geleid door zijn dochter, Mary. Dit centrum wil kennis ontwikkelen en verspreiden over een landbouw die aansluit bij de natuur, als alternatief voor een industriële landbouw die draait op grootschalige monoculturen. Het centrum brengt conventionele en alternatieve boeren samen. Op het land van de familie Berry kunnen ze ervaring opdoen met bedrijfsvoering die is gestoeld op een combinatie van akkerbouw, veeteelt en bosbouw, met technieken die passen bij de menselijke maat.

Ten diepste gaat het om de vraag: hoe krijgen we gezonde gemeenschappen waar mensen het zich kunnen veroorloven om goed te boeren? Daarvoor moet je werken aan een nieuwe economie én aan een nieuwe cultuur, aldus de Berry’s, en daarom besteden ze ruim aandacht aan literatuur en geschiedenis. Om een gezonde gemeenschap te worden, moeten het racisme, het seksisme en de economische ongelijkheid in de streek in de ogen worden gekeken.

Beelden uit de documentaire Look & See: A Portrait of Wendell Berry. Regie Laura Dunn © Look & See, A Portrait of Wendell Berry / Submarine

Onder Nederlandse landbouwkundigen krijg je met de naam Berry niet direct de handen op elkaar. ‘Romantisch’, zegt de een. ‘Mooie levenshouding, maar daar kun je niet de wereld mee voeden’, zegt de ander. Nederland is koploper hightech landbouw, met melkrobots en automatische kassen waar tomaten op steenwol door de computer worden geteeld. We willen daar zo min mogelijk boeren bij gebruiken. De kleine multifunctionele boerderijen van Berry zouden die opbrengsten nooit kunnen evenaren.

Het is bekende kritiek, schrijft hij in zijn brief. ‘Ik zou een romanticus zijn, nostalgisch terugverlangend naar een wereld die nooit heeft bestaan. Meestal gevolgd door: we kunnen de wereld niet voeden zonder grootschalige industriële landbouw.’ Hij hoort dit al zestig jaar en hij kent zijn antwoord intussen wel uit zijn hoofd. ‘Grootschalige industriële landbouw gaat tegen alle natuurwetten in. Industriële landbouw is afhankelijk van gif, dat leven vernietigt. Maar het gaat ook in tegen de wet van de menselijke natuur, zoals de meeste religieuze tradities ons leren, namelijk de zorg voor onze naasten, onze menselijke en niet-menselijke naasten.’

Schaalvergroting is nu precies wat naasten op afstand van elkaar zet. ‘Industriële landbouw werkt op een schaal die alleen wordt begrensd door de technologie. Ik zie dat het de mensen van het land kapotmaakt.’ Ze raken hun werk en hun gemeenschap kwijt en moeten naar de stad. ‘Als dat dus de gekozen methode is om “de wereld te voeden”, dan kunnen we de wereld maar heel eventjes voeden.’ Berry wil niet pretenderen dat hij veel weet over de Nederlandse landbouw, ‘maar als het afhankelijk is van gif, als de schaal te groot is, en als menselijke relaties worden vervangen door technologie, dan is er geen manier om destructieve gevolgen te voorkomen’.

De tegenstelling tussen boomers en stickers, tussen uitbuiten en zorgen, die Berry ook al voelde toen hij New York verliet, loopt als een rode draad door de hele Amerikaanse geschiedenis, schrijft hij in 1977 in een van zijn geruchtmakendste essays, The Unsettling of America. Eerst werd de inheemse bevolking onderworpen, maar vervolgens iedereen die zich ergens vestigde en besloot te zorgen voor land, in plaats van door te trekken en te veroveren. Deze lijn loopt door tot het heden, het tijdperk van industriële landbouw, waar geen onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende lokale contexten. De industriële economie zoekt naar methoden die je overal kunt toepassen en doet hetzelfde als de kolonisatoren destijds: de rijkdom concentreren in een kleine groep die geen band heeft met wat ze onderwerpt.

‘De minachting voor alles wat klein, ruraal of natuurlijk is, vertaalt zich in minachting voor ongecentraliseerde economische systemen, iedere vorm van zelfvoorzienendheid in voedsel of andere noodzakelijke levensbehoeften’, schrijft Berry in The Agrarian Standard (2002). Alles wat niet optimaal functioneert, moet worden ‘opgelost’ door het importeren van Big Ideas, Big Money en Big Technology, met experts die totaal geen kaas hebben gegeten van de lokale context. ‘Het gevolg is dat kleinschalige problemen altijd worden vervangen door grootschalige problemen waar geen oplossing meer voor is. Ook niet meer lokaal. Dat is precies de toestand van onze huidige landbouw.’

‘Hoe geavanceerd en complex en machtig onze instituties ook zijn, we blijven net zo afhankelijk van de aarde als regenwormen’

‘Het is nodig dat we moeite doen om de wereld te leren kennen om te doen wat goed voor haar is’, aldus Berry. ‘We moeten leren om samen te werken in haar processen en naar haar grenzen te luisteren. Maar nog belangrijker, we moeten leren erkennen dat de schepping vol mysterie is; we zullen haar nooit helemaal begrijpen. Ik twijfel er niet aan dat het alleen op voorwaarde is van nederigheid en eerbied dat onze soort er in zal kunnen blijven bestaan.’

Agrarianisme begint niet met ‘oplossingen’, maar met ‘gegevenheden’, zegt Berry: land, planten, dieren, weer, honger, opvoeding. Dat is geen theorie, dat is keiharde economie. Wat opvalt bij Berry, ook in zijn literatuur, is een ongelooflijke liefde voor werk, voor noeste arbeid, voor eenvoudige mensen die al hun energie en toewijding richten op het creëren van iets moois. Dat kan alleen als er een economie is, als er markt voor is. Zorgen en gebruiken horen voor Berry dus bij elkaar. Mensen die hun grond en hun bos kennen, zorgen er het best voor. Ze maken net zo goed fouten, maar die fouten zijn te corrigeren. Ze hebben een intrinsieke motivatie om ervoor te zorgen dat hun methodes ook in de toekomst nog vol te houden zijn.

Maar nu… ‘De kleine, onafhankelijke boer wordt van zijn land af gedwongen, de stad in, zijn plaats ingenomen door eigenaars ver weg, bedrijven en machines. Sommige mensen rechtvaardigen dit in de naam van efficiëntie. Maar in mijn ogen is het een enorme sociale en economische en culturele blunder. Want de kleine boeren die op hun land leefden, gaven om hun land.’

Uitputting van de grond en het land kan de menselijke toekomst niet mooi maken, gelooft Berry. Zijn motto is: ‘Listen to the land’. ‘Er is geen scheiding tussen het lot van het land en het lot van de mensen. Als de een wordt misbruikt, lijdt de ander. De boete volgt snel voor een boer die oude begroeiing van een helling kapt. De boete zal vroeg of laat ook volgen voor een landvernietigende beschaving zoals de onze.’

Beeld uit de documentaire Look & See, A Portrait of Wendell Berry. Regie Laura Dunn © Look & See, A Portrait of Wendell Berry / Submarine

Wim Schippers, landbouwadviseur en schrijver van het boekje Boeren met ontzag, is wél onder de indruk van Berry’s werk. ‘En ook van het hele debat in Amerika hierover. De landbouw is daar al eerder uit de bocht gevlogen dan hier, dus ook de tegenbeweging loopt voor.’ Schippers heeft zelf gepionierd op een familieboerderij net buiten Rotterdam, de Buytenhof van Rhoon. ‘Wat ik zag is dat mensen snakken naar gemeenschapszin. Ik wilde er dus een mensenboerderij van maken. De accountant zag dat niet zitten, het zou te weinig opleveren. We hebben het toch gedaan. En wat kwam er veel los! Mensen kwamen langs voor goed voedsel en voor andere sociale behoeften. We hadden al snel honderd vrijwilligers én er kwam plek voor betaalde krachten. En dat waren geen loonwerkers die anoniem het werk deden, zonder band met het land. Na zeven jaar werd de boerderij uitgeroepen tot toonaangevendste multifunctionele boerderij in Nederland. Het was dus níet zomaar een romantisch idee.’

Dat de opbrengst van dit soort boerderijen te laag zou zijn is een drogreden. ‘Dit komt altijd uit de Wageningse koker, daar zitten de voorvechters van een grote positie voor Nederland in de wereldlandbouw. We produceren al zo veel… van onze melk gaat tachtig procent naar het buitenland. Maar een megabedrijf als FrieslandCampina is het contact met boeren kwijtgeraakt. Ze denken in markten. Ze zijn bezig in China om oudjes aan de yoghurt te krijgen, voor de export, maar ondertussen worden lokale en regionale markten in de hele werelduitgeholdwaardoor nog meer mensen van het platteland naar de stad verhuizen. Contact met boeren en met waar het voedsel vandaan komt, verdwijnt.’

Berry sluit heel goed aan bij wat Schippers zelf ook ziet. ‘De vrucht van de landbouw is niet alleen voedsel. Het is ook gemeenschap. Mijn oom was zwakbegaafd, hij werd destijds gewoon opgenomen in een boerengezin en kon meedoen. Die sociale ruimte kan weer terugkomen als boeren zich, met hulp van burgers, vrijmaken van de banken en de FrieslandCampina’s van deze wereld.Niet alles hoeft op een kleinere schaal, maar ik ben het met Berry eens dat een grote schaal al snel problematisch is, waarbij we de menselijke maat uit het oog verliezen. Ik zeg altijd: we hebben meer boeren in Nederland nodig, niet minder. We hebben onze voedselvoorziening namelijk afhankelijk gemaakt van steeds minder mensen en bedrijven. En dat is een sterk onderschat risico.’

‘Met meer boeren zou het landschap in elk geval een stuk aantrekkelijker worden’, zegt Nynke Schulp, universitair hoofddocent duurzaam landgebruik aan de Vrije Universiteit. ‘Kleinschalig klinkt misschien een beetje Ot en Sienerig’, zegt ze, ‘maar wat we nodig hebben in Nederland is meer kleine landschapselementen, meer variatie, zoals we vroeger hadden, voordat er kunstmest en drainage kwam. Toen kón 
niet alles overal, dus toen was er veel meer variatie.’

Als we in het huidige tempo doorgaan met automatiseren en schaalvergroten zijn er in de toekomst geen boeren meer. ‘Alleen nog reusachtige bedrijven met een eigenaar ver weg, die geen enkele relatie heeft met het land. Zoals in Brandenburg in het oosten van Duitsland. In termen van productie is het misschien efficiënt, maar zo’n bedrijf heeft geen enkele prikkel om andere publieke goederen te leveren. Zoals zorg voor het landschap, bloemenranden, lokale aardbeienverkoop, bescherming tegen overstromingen, biodiversiteit, en alles wat we nodig hebben voor een aantrekkelijk platteland.’

illustratie: Dick Tuinder

Berno Strootman, landschapsarchitect en voormalig rijksadviseur voor de fysieke leefomgeving, is het daar van harte mee eens. ‘Stel, je zou alle boeren uitkopen, om aan de stikstofregels te voldoen bijvoorbeeld. Wie zou dan voor de natuur en voor het landschap zorgen? Twee derde van onze grond is van boeren. Dat is een gebied met een grote cultuurhistorische waarde. Wie zou dat gaan beheren? Je krijgt steeds meer industriële complexen die grond opkopen. De bewoners in de buurt werken in de stad.’

Zo wordt de plattelandsgemeenschap die je zo hard nodig hebt, ondermijnd. ‘Wat ik een mooie gedachte van Berry vind, is zijn opvatting van naastenliefde, voor mens en natuur. Ik ken een boer in Drenthe die zijn grond nog ploegt met paarden. Dan heeft hij het meeste contact met de grond, en dan voelt hij waar de keien zitten. Zo’n man zorgt echt voor zijn land. En er zijn honderd mensen in de buurt die hem komen helpen en óók een band hebben met die grond.’

Dat het roer om moet, is duidelijk voor Strootman. ‘Wat we nu hebben is productie van goedkope bulkgoederen. Driekwart is voor de export. We plegen roofbouw op ons land en we teren in op het maatschappelijk kapitaal dat we hebben. We lopen echt langs het randje – en kukelen er soms zelfs overheen, als het gaat om stikstof bijvoorbeeld. En let maar op: ook de Europese kaderrichtlijn Water gaan we niet halen. Ons grondwaterpeil daalt en de kwaliteit van het oppervlaktewater voldoet niet. Dat wordt de volgende crisis.’ Maar stop met het beschuldigen van boeren. ‘Dat hebben we met z’n allen willens en wetens gedaan. We hebben de overheid naar de boeren gestuurd om grootschaliger, kapitaalintensiever en rationeler te gaan ondernemen. En nu loopt het vast.’

Maar deze constatering biedt ook hoop. ‘Alle nadelen hangen namelijk samen met de intensiviteit van de landbouw, dus als we de landbouw diverser maken en meer richten op kwaliteit, in plaats van dure bulkproducten, dan winnen we op alle terreinen. Minder stikstof, schoner water, meer biodiversiteit en een mooier landschap.’ Maar dat kan alleen met méér boeren en met een revitalisering van het platteland.

Ook Berry heeft hoop, zegt hij met een diepe stem die doet denken aan Johnny Cash, in de recente documentaire Look and See die mede door Terrence Malick werd gemaakt. Telkens weer beseft hij hoeveel ons wordt gegeven. ‘Kijk maar eens naar de bloemen, die vanzelf blijven opkomen, gratis en voor niets.’ Onze problemen komen ten diepste door de scheiding die we hebben voltrokken, tussen mens en natuur, tussen mensen onderling, tussen economie en natuur, tussen stad en land. ‘We komen allemaal voort uit scheiding. Het is het tijdperk van scheiding. Het tijdperk waar alles uit elkaar is gevallen.’ Een nieuw begin is dus al in het klein te maken, iedere dag. ‘Begin gewoon met het samenvoegen van twee verschillende dingen.’ Dingen waar je van houdt. Want, om met de titel van zijn Jefferson Lecture te spreken, ‘it all turns on affection’. Uiteindelijk draait alles om genegenheid.


Frank Mulder is schrijver en publiceert onder andere in weekblad De Groene Amsterdammer. Hij woont in een woongemeenschap in de Utrechtse wijk Overvecht met zijn gezin, samen met mensen uit alle hoeken en gaten van de wereld.