Wachten op hoop in het paleis van Calais

In het ‘paleis’ in Calais, gebouwd van pallets, matrassen en een tarp, wachten Eritreeërs hoopvol op wat de toekomst gaat brengen. De knoflook wordt gesneden voor het orthodoxe paasfeest.

‘Waar is Engeland?’, vraagt Abel, ‘That way?’ Hij wijst landinwaarts naar de rij vrachtwagens die westwaarts rijden, Europa in. Hij staat bij de ‘binto’, de brug waaronder een paar jaar geleden zoveel Eritreeërs woonden, voordat het allemaal werd schoongeveegd en afgegaasd. De pilaren van de brug, die samen een litanie vormden van Eritrese namen en woorden, zijn helemaal schoongespoten. De autoriteiten proberen continu alles uit te wissen dat herinnert aan de ballingen die hier in Calais steeds tijdelijk een onderkomen vinden. Het is vrijdag als ik hier ben. Maar geen gewone vrijdag: over twee dagen vieren de orthodoxen Pasen.

Niet ver van de brug bevindt zich het nieuwe Eritrese kamp, op een dik tapijt van snoeiresten. De struiken zijn verhakseld door de autoriteiten om de zichtlijnen open te maken. Aan de andere kant van de stad is hetzelfde gebeurd met de kampeerplaats bij Les Fontinettes. Een industriële versnipperaar heeft alle ondergroei van het bos opgepeuzeld en de snippers uitgespuugd. Aan de voet van de bomen is nog een restant te zien van het leven dat hier was, een restant dat langzaam aan het vervallen is: een pop, met cijfers op haar rug, met het gezicht naar de grond en met een kapsel dat langzaam loslaat van de schedel; een geel speelgoedautootje naast een veterloze sportschoen; een drietal plastic paarden aan het eind van hun reis. In kleine houten kijkdoos zit een teddybeer op een kussen, zijn hoed in zijn hand, en daarboven aan een kleerhangertje een vest met twee knopen dat uit elkaar aan het rafelen is. Er liggen tandenborstels en scheermesjes, tubes huidcrème, stapels doorweekte kleding, de verweerde foto van een jonge man.

Het is zaterdag als ik Negus spreek. Wat houdt hem sterk?
‘Als ik van mezelf kan houden, dan ben ik sterk’. We zitten in het ‘paleis’ in het Eritrese kamp, een bouwsel van houten pallets, dekens en matrassen, overdekt met een tarp en vastgemaakt aan het metalen hek. Het paleis moet elke twee dagen afgebroken worden en verstopt omdat de politie het anders kapotmaakt. Een vuurtje smeult op de met zorg schoongemaakte grond. Aan een geïmproviseerde tafel is een intens kaartspel bezig.

Negus kijkt toe en gaat tussendoor verder met zijn verhaal, over hoe hij zijn huis in Eritrea achterliet toen hij nog maar twaalf was, hoe hij terechtkwam in Libië, waar hij vijf jaar in een gevangenkamp zat van mensensmokkelaars. Hij rolt zijn broekspijpen op om de littekens te laten zien van alle martelingen.
‘Ze noemden me bambino. Bambino doe dit, bambino doe dat. Ze hadden geen respect. Niemand zorgde voor mij. Maar hier tussen de Eritreeërs doen mensen aardig tegen me. We begrijpen elkaar.’ Er staat een kruisje getatoeëerd op zijn pols, heel licht.
‘Dat heeft een vriend gedaan. Maar het deed zo’n zeer dat ik stop zei.’

Na een korte stilte gaat Negus door. ‘Soms is het moeilijk om van mezelf te houden. Ik doe niet altijd het beste, maar ik weet dat ik vergeven ben.’ Hij opent zijn telefoon en zoekt een tekst. ‘Zijn vader zag hem in de verte al aankomen. Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af, viel hem om de hals en kuste hem…’ Hij leest de woorden van de gelijkenis van de Verloren Zoon, met een intense concentratie. Hij kijkt op, zijn jonge gezicht staat ernstig. ‘Mijn vader zei “Wees nederig, maar pas op jezelf”. Mijn vader maakte me sterk.’ Dan lacht hij: ‘Op een dag ben ik vrachtwagenchauffeur en dan speel ik saxofoon.’

Tesfay voegt zich bij het gesprek. ‘Op een dag ga ik in het geheim naar Eritrea en ga ik in de bergen wonen met God en mijn bijbel en ga ik mijn eigen voedsel verbouwen.’ Zijn naam, Tesfay, betekent ‘mijn hoop’. Hij is een paar jaar in Duitsland geweest, maar omdat hij geen enkele hoop had om ooit nog papieren te krijgen heeft hij zijn blik nu gevestigd op het Verenigd Koninkrijk. ‘In Duitsland is geen tijd om iets leuk te doen, om met je vrienden te zijn of met je gemeenschap. Je werkt en je werkt, maar je baas en het systeem pakken het meeste wat je verdient. Dus wat heeft dat voor zin?’ Terwijl hij praat, bewegen zijn vingers stevig om het kruis dat in een ketting om zijn nek hangt.

Het is zondagochtend. Vandaag is het Pasen voor de orthodoxen. Fasika. Vijf katten uit de Watergang du Nord, het afvoerkanaal langs het kamp, wachten vol verwachting op eten. Er is een bruggetje gebouwd zodat ze de watergang over kunnen steken. De zon schijnt en het paleisdak is weer opgerold. Op het vuur liggen uien te bakken in een grote aluminium pan. Er worden stukjes schapenvlees aan toegevoegd, dan wat Ethiopische berberekruiden en aan het eind tomaten. Medhane is de chefkok van vandaag en hij roert in de pan. Op een omgekeerde doos ligt een stapel injera-pannenkoeken die een Eritrese vriend in de stad heeft gebakken.

Fasika is een dag van feest en vrolijkheid, zowel voor de christenen als de moslims in het kamp. Voor de christenen is dit het grote feest om uit te kijken naar hoop. De voorbereidingen zijn gereed, het eten is klaar om opgediend te worden. Elk gedeelde bord is een feest van injera, pittige zigni, rijst, eieren en salade: elk bord een kunstwerk, met op de achtergrond een doek met een bloesemboom op een zonnig tapijt van goud. Mensen maken foto’s. De lucht trilt met de aanstekelijke beat van habeshamuziek.

Dan is het stil. Iemand spreekt een gebed uit over het feestmaal. En dan ineens breekt, door het stille moment heen, het bekende tweetonige geluid van de mannetjeskoekoek. Hij gaat maar door en komt steeds dichterbij. En ineens is hij daar, de grote trekvogel uit Afrika, recht boven ons hoofd. Een vlucht van hoop. Een glimp van hoop.

Alex Holmes

Alex houdt van samenleven, maar ook van alleen zijn. Daarom verdeelt hij zijn tijd tussen Schotland, waar hij zijn geld verdient door stenen te graveren, en Calais, waar hij vrijwilliger is in het Maria Skobtsovahuis voor vluchtelingen. Als hij daar is, bezoekt hij elke dag even het kamp van zijn Eritrese vrienden.