Alles, overal, tegelijk

Het is zo oneerlijk dat ik niet eens ‘neger’ mag zeggen, zei de witte dame, in de kerk, tussen de gebrandschilderde ramen met verhalen over Jezus. Als zwarte vrouw, theoloog, priester-in-opleiding, zat ik klem. Een collage.

Dit verhaal is pijnlijk en complex. Complex omdat er een heleboel context is die ik hier niet kan geven, omdat die onderdeel is van een brij aan pijnlijke verhalen. Die gaan soms direct over mij, en soms indirect, omdat ze drukken op mij als zwarte vrouw. Een zwarte vrouw, die voor Engeland een immigrant is, ook al heeft ze hier haar hele volwassen leven gewoond. Een afstammeling van prekoloniale West-Afrikaanse heersers, verhalenvertellers en krijgers, die ook het daarmee verbonden verhaal van postkoloniaal Ghana en Nigeria in haar bloed heeft.

Ik ben een christen, die gedronken heeft uit de vele bronnen van de rijke, betwiste erfenis van christelijk denken – Keltisch, Quaker, Rooms-Katholiek, Afrikaans. Niet alleen het christendom dat werd meegedragen op de winden en de zeeën van koloniale wreedheid, maar ook het christendom dat opbloeide in de vlakten en de grotten van Ethiopië, lang voordat de Europeanen daar kwamen. Die Bruine Jezus is ook van mij. Ik ben dat allemaal, overal en op hetzelfde moment.

Het verhaal hieronder was zo schokkend voor mij dat ik er mijn afstudeerscriptie bij theologie, pastoraat en zending over schreef. Ik diende als assistent curaat – een priester-in-opleiding – in de anglicaanse kerk. Het is niet ongebruikelijk voor mij om de enige zwarte in een kamer te zijn. Ik heb geleerd om me te bewegen in ruimtes die voornamelijk wit zijn, inclusief kerken, waar mijn aanwezigheid – als lichaam met een specifiek ras en gender – wordt benadrukt door het verschil. Mijn persoonlijke verhaal is dus niet alleen maar observatie, het is de belichaming van de dagelijkse uitdagingen en complexiteiten van hoe je een zwarte vrouw in deze ruimtes moet zijn.

Het gebeurde op een gewone woensdagmiddag. In de wereld buiten die heilige muren was de Engelse monarchie nog steeds aan het natrillen van het interview van Meghan Markle (de vrouw van Prince Harry) met Oprah Winfrey over het racisme in het paleis. Omdat mijn opleider en priester afwezig was, moest ik de wekelijkse naai- en knutselclub begeleiden, wat ik al veel vaker had gedaan. Tussen de drie oudere, witte dames uit de arbeidersklasse voelde ik de zware aanwezigheid van mijn geracialiseerde identiteit. Het begon met afkeurende opmerkingen over Meghan, de gravin van Sussex, en liep erop uit dat ze kritisch waren over ‘politieke correctheid’ en het onrechtvaardige van raciale gelijkheid. Op dit punt aanbeland zei een van hen: ‘Het voelt gewoon niet eerlijk dat andere mensen iets mogen doen of zeggen dat anderen niet mogen.’ Ik begreep niet goed wat ze bedoelde. Ze beantwoordde mijn verbaasde blik met een directe vraag: ‘Waarom mag ik bijvoorbeeld, als blanke, niet het N-woord zeggen?’

Ik wil dat dit even goed landt. Lees de zin nog een keer als dat nodig is.

Tussen de glas-in-loodramen en mozaïeken over geboorte, leven en dood van Jezus Christus, bleef de vraag hangen – ergens tussen de mond van een vrouw die vond dat ze er recht op had en het oor van een vrouw die zich weerloos en emotioneel in een hinderlaag gelokt voelde. Ik moest gaan uitleggen, oog in oog met vijandigheid en onwetendheid, hoe zwaar het gewicht was van de koloniale geschiedenis, de slavernij en de gewelddadige oorsprong van dat woord. Zoals met zo veel zwarte en bruine vrouwen droeg ik de last om dat uit te leggen. Degene die verwond is draagt de last, om geduldig uitleg te geven aan de daders, om tegen elke prijs je woede te onderdrukken, want zelfs op deze momenten van ‘opvoeding’ onderdrukken we onszelf – zodat onze gerechtvaardigde boosheid niet tegen ons wordt gebruikt, opdat we niet afgeserveerd worden met het etiket ‘agressief’.

Ik legde uit, ‘liefdevol’, waarom de specifieke groep tegen wie dit woord als wapen is ingezet het gebruik ervan wil terugclaimen. En dat sommige mensen dat zien als subversieve daad. En dat het dus het voorrecht is van zwarte mensen om het woord onderling te gebruiken, als ze dat willen. En daarom, om die daad van emancipatie, mag niemand die eruit ziet als zij dit woord ooit nog vrijblijvend gebruiken. Nooit.

Nadat ik dat allemaal had gezegd, stelde ik zelf een vraag: ‘Waarom wil je dat woord zeggen?’

Wederom wil ik dat dit even landt.

Ik heb deze collage gemaakt als deel van mijn theologische reflectie. Ik probeer ermee te laten zien wat er met mij gebeurde in die kamer. De beelden en kleuren komen voort uit het zitten met die gevoelens – de dehumanisering, de abstractie van het zelf. Ik voelde me niet door elkaar geschud, maar juist uitgehold, met als resultaat een leegte – die werd gevuld met projecties: geïnternaliseerde beelden, vooroordelen, plaatjes uit cultuur en media en koloniale geschiedenis, op mijn lichaam geplaatst, zodat ik een beangstigend, buitenwerelds figuur werd dat als Ander kon worden neergezet. De plaatjes aan de bovenkant vormen een kruis, die symboliseren hoe georganiseerd christendom gebruikt is als wapen en rechtvaardiging van onderwerping – inclusief het beeld van Sarah Baartman, de zogenaamde Venus Hottentot.

Jezus was niet in die kamer. Wat groot opdoemde, was privilege, dat zich vastgreep aan heerschappij – van het soort dat een ander kleiner wil maken door het als anders neer te zetten. Ik wist ook dat het gesprek nooit zou hebben plaatsgevonden als de priester aanwezig was geweest.

Temidden van alle schoonheid en kunst van een geloof dat de tand des tijds heeft doorstaan, bleef de institutionele kerk weigeren om de confrontatie aan te gaan met haar medeplichtigheid aan systematisch racisme. Ik werd in de steek gelaten die dag. Geen van de bevrijdende waarden die schreeuwen en tot leven komen in de evangeliën waren daar voor mij op die dag aanwezig. En toch – ik wist ook dat Jezus met mij was. Want zoals zwarte en feministische theologen al lang zeggen is het zwarte vrouwelijk lichaam, ondanks de onderwerping en ontmenselijking, ook een terrein van verzet.

Zoals bell hooks schreef: mijn lichaam, mijn aanwezigheid – ondanks elke strategie om het te verkleinen – oefent zijn eigen kracht uit, daagt narratieven van onzichtbaarheid uit, pakt zijn waardigheid en waarde. Door daar te zijn en te blijven bleef mijn aanwezigheid de normatieve witheid van die ruimte verstoren. Dat mijn lichaam subversief verzet biedt, alleen door op te duiken – sterk, ongedimd, onverminderd – besefte ik pas toen ik ontdekte dat Jezus hetzelfde deed. Zijn lichaam, en de woorden die daaruit vloeiden, keerde dominante structuren om en ontmantelde het schavot van de status quo dat was opgericht op de ruggen van de armen. Zijn lichaam, zoals het mijne, zoals het jouwe, deed heel veel. En blijft dat doen – overal, tegelijk.

Theodora Songhai

Theodora heeft haar carrière als anglicaans theoloog onlangs verruild voor een toekomst in de kunst. Ze houdt ze zich bezig met migratie, hoop, identiteit en thuiskomen. We kennen haar via onze vrienden van de Northumbria gemeenschap. Meer over haar op haar eigen site: www.theodorasonghai.com