Vandaag wil ik graag wat losse apocalyptische gedachten met jullie delen. En de vraag: is het altijd onze roeping om te bouwen aan een betere maatschappij, of moeten we soms vluchten?

Anders leven, daar hebben we het vaak over in de Karavaan. We praten over nieuwe gemeenschappen, monastieke groepen, klimaatkloosters en nog veel meer. We discussiëren over onze roeping, in een tijd van eenzaamheid en onrecht. En we dromen van boerderijen waar we kunnen wonen met anderen, om alles anders te doen – ik wel in elk geval. Een boerderij met uitzicht, liefst niet te ver van de stad, want ik heb ook werk nodig en ik wil relevant zijn voor de wereld.
Maar gisteren kwam ineens de vraag heel hard binnen zeilen: waar zijn we nou mee bezig? Moeten we niet nog veel meer zekerheden los gaan laten? Hebben we überhaupt wel zekerheden?
Ik weet niet precies waar die gedachte vandaan kwam. Misschien was het de combinatie van zon en vogelgeluiden, die er bij mij altijd voor zorgen dat het gewone werkleven vervaagt, dat ik ga mijmeren over bergen en woestijnen en van vissen vangen in het wild.
Misschien was het het slechte bericht van een dierbare, over een foute scan, waardoor ik de rest van de dag rondliep met een knoop in m’n maag. Wat is het leven toch kort, wat is de dood toch dichtbij. Alles is zo relatief. Geloof ik echt dat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komt, en alles in ons leven een kleinigheid is vergeleken bij waar we naar op weg zijn?
Hoe dan ook, er gebeurden verschillende dingen in mijn hoofd. En toen ging ik ook nog de krant lezen. Ik weet het, misschien moet je dat niet doen op zulke dagen. Maar de New York Times had een interessant interview met Jonathan Haidt waar ik bij bleef steken. Je kent ’m wel, hij is bekend geworden met zijn onderzoek naar depressie en angst onder jongeren sinds de opkomst van social media. Sinds zijn boek heeft hij ontdekt dat er nog een veel groter gevaar is, zegt hij: jongeren zijn steeds minder in staat tot aandacht, voor wat dan ook.
‘De gemiddelde Amerikaanse tiener zit 5 uur per dag op social media en swipet het grootste deel daarvan door korte filmpjes. Het maakt jongeren sociaal zwakker en tegelijkertijd radicaliseert het ze en drukt het politici naar extremere posities.’
Vooral lijkt dit de ontwikkeling van coginitieve processen te verstoren die nodig zijn voor doelgericht gedrag, zegt Haidt. ‘Jonge mensen die zulke video’s kijken vinden het moeilijk om iets te doen dat moeilijk is of diep nadenken vraagt, of iets dat alleen maar lukt met doorzettingsvermogen.’ Haidt eindigt omineus: wat TikTok, Instagram Reels en YouTube Shorts veroorzaken is niets minder dan ‘een cognitieve catastrofe.’
Wat Haidt zegt is natuurlijk niet helemaal nieuw. Ik werd vanochtend nog bijna van m’n sokken gereden door twee fatbikes met jongens achterop die filmpjes zaten te swipen. En ik had mijn zoontje van 6 nog gecorrigeerd omdat hij brainrot-deuntjes zat te neuriën (en als je niet weet wat dat is dan adviseer ik je om nog even te genieten van die zalige onwetendheid). Maar toch had ik de rest van de dag beelden in mijn hoofd van drommen willoze massa’s uit films zoals de Matrix en boeken zoals Brave New World. We gaan helemaal niet ten onder door Poetin of Trump. We gaan ten onder doordat onze eigen kinderen worden klaargestoomd voor massa-ideologieën. De fascistische complottheorieën liggen al te kiemen in het digitale moeras, klaar om mainstream te worden.
Toen ik ’s avonds in bed stapte, had ik ineens een visioen: deze hele digitalisering kan toch alleen maar stuklopen op oorlog? Dit ondermijnt toch onze samenleving, ons menszijn? Zo’n meute zonder diepgang kan toch alleen maar leiden tot (en gekeerd worden door) een ramp, een echte ramp? Een klimaatramp, een dictatuur, een oorlog? Of dat nu vijf jaar of vijftig jaar duurt, dit kan toch niet goed gaan?
Nogmaals, dit is allemaal niet nieuw, ik heb wel vaker zulke apocalyptische gedachten, ook over digitalisering. In deze Karavaan komen wel vaker mensen langs die daar heel wijze dingen over zeggen.
Maar misschien landde het nu pas echt: als dit zo is, moeten we dan niet veel meer denken aan ‘vluchten’ dan aan ‘bouwen’?
Niet uit angst, maar uit roeping?
Is er over een aantal jaar echt nog wel ruimte voor leven en nadenken?
Wat heb ik dan aan een fijne woning in het groen, in de buurt van de stad?
Of kan ik beter een bos zoeken waar we ons kunnen verstoppen? Ons vege lijf redden? Met een huis met schuilkelders voor onderduikers, en een akker voor ons noodrantsoen? En een piano, om muziek te maken, om onze harten aan te warmen?
Waar kinderen kunnen opgroeien zonder schermen, zodat ze mens blijven?
Waar zou je zo’n vrijplaats of schuilplaats kunnen beginnen in een land dat volgebouwd en overgeorganiseerd is? Moeten we geen campings gaan opkopen, waar je nog speelruimte kan vinden? Niet om onszelf een lekker leventje te geven, maar omdat het soms onze opdracht is om te vluchten, zoals Jezus mensen ook vertelde dat ze de dagen goed in de gaten moesten houden omdat het moment nadert dat je alleen nog maar kunt vluchten, de bergen in?
Terwijl ik mijn bed in stapte, deelde ik mijn vrolijke gedachten met mijn vrouw. Ze zat net de dagtekst te lezen van het Celtic Book of Prayer. Het was een citaat van Thomas Merton, die het volgende zei:
‘Een van de redenen dat christenen zich in de vierde eeuw terugtrokken in de woestijn was dat ze zagen als vreemdelingen in hun wereld. De kerk onder Constantijn werd de plaats waar men gezien wilde worden. De woestijn werd een noodzakelijke maar vrijwillige ballingschap voor de mensen die niks meer konden horen door de herrie.’
Heel veel gedachten door elkaar vandaag. Ik ben benieuwd: hebben jullie die ook wel eens?
Frank Mulder is schrijver en publiceert onder andere in weekblad De Groene Amsterdammer. Hij woont in een woongemeenschap in de Utrechtse wijk Overvecht met zijn gezin, samen met mensen uit alle hoeken en gaten van de wereld.
